Mag een rechter bepalen dat de ouders, alvorens verdere omgang plaatsvindt, het kind moeten vertellen dat de man zijn biologische vader is (statusvoorlichting)?

Feiten Hoge Raad 18 maart 2016

In de zaak die leidde tot de uitspraak van de Hoge Raad van 18 maart 2016 hadden twee vrouwen een geregistreerd partnerschap. Samen hadden een advertentie geplaatst voor een zaaddonor. De man reageerde daarop en er is een donorovereenkomst getekend. Eén van de twee vrouw is vervolgens door kunstmatige zelfinseminatie met zaad  van de man zwanger geraakt.
De andere moeder heeft het kind – met toestemming van de man- geadopteerd en de moeders hebbe het gezamenlijk gezag over het kind.

De man en het kind hebben vanaf de geboorte van het kind tot en met juni 2009 gemiddeld een keer per maand omgang gehad (gemiddeld drie uur per keer). Na juni 2009 is het contact verminderd en in januari 2010 is het gestopt. De omgang is in 2011 weer opgestart (vaststellingsovereenkomst)op grond waarvan  de man tot februari 2013 een keer per twee maanden omgang had met het kind (gemiddeld tweeënhalf uur per keer). Eind februari 2013 hebben de moeders het contact tussen de man en het kind verbroken.

De man heeft vervolgens de rechter verzocht een omgangsregeling tussen hem en het kind vast te stellen.
Het hof beslist uiteindelijk dat de man en het kind minimaal eenmaal per jaar omgang met elkaar zullen hebben binnen een week na de verjaardag van het kind (30 april), waarbij het eerste contact zal plaatsvinden in mei 2016.
Ook bepaalde het hof dat de moeders het kind voor 30 april 2016 statusvoorlichting zullen geven (waarmee het hof doelt op voorlichting over de afstamming van het kind). De moeders gaan hiertegen in cassatie.

Standpunt moeders: geen statusvoorlichting

De moeders zijn van mening dat aan de ouders zelf is te bepalen wat het beste moment is om het kind dat via een donor is verwekt, mee te delen wie de vader is. De man is geen ouder en heeft geen zeggenschap over (de opvoeding van) het kind. Het hem toekomende family life gaat niet zover dat hij (mede) kan bepalen hoe de ouders invulling geven aan hun opvoeding en welke keuzes zij daarbij maken. Ook mag de rechter daarin niet eenzijdig ingrijpen. Aldus de moeders.

Hoge Raad: statusvoorlichting kan opgelegd worden

De Hoge Raad volgt de moeders niet. De Hoge Raad oordeelt dat belang van het kind met het oog op effectuering van het recht op omgang met zijn biologische vader kan meebrengen dat het kind te horen krijgt dat degene met wie het omgang zal hebben zijn vader is. Indien de rechter van oordeel is dat een zodanig geval zich voordoet, kan hij bepalen dat het kind voorafgaand aan een volgend moment van omgang statusvoorlichting zal krijgen. Het oordeel van de rechter omtrent hetgeen het belang van het kind bij het kennen van zijn afstamming met het oog op de omgang meebrengt prevaleert boven het recht van de ouders te bepalen op welk moment het kind die informatie zal krijgen.

De overwegingen van de Hoge Raad luiden aldus:
Ingevolge art. 8 EVRM en art. 1:377a lid 1 BW hebben het kind en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat recht op omgang met elkaar. Bij gebreke van zodanige betrekking vloeit hetzelfde voort uit het eveneens in art. 8 EVRM gewaarborgde recht op private life (zie onder meer EHRM 21 december 2010, 20578/07, NJ 2011/508).

Uit het recht op private life, in het bijzonder het recht op persoonlijke identiteit, vloeit eveneens voort dat een kind het recht heeft te weten van wie het afstamt (EHRM 20 december 2007, 23890/02, EHRC 2008/34). Dat recht is tevens gewaarborgd in de art. 7 en 8 IVRK.

Art. 1:247 lid 1 BW bepaalt dat het ouderlijk gezag de plicht en het recht van de ouder omvat zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden. Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het minderjarig kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid (lid 2).

Tot de zorg en verantwoordelijkheid voor het geestelijk welzijn en de persoonlijke ontwikkeling van het kind behoort het geven van informatie over zijn afstamming (‘statusvoorlichting’). Het is daarom aan de ouder die het gezag uitoefent om het kind die informatie te geven. In beginsel is het aan deze ouder voorbehouden het daartoe geschikte moment te bepalen. Daarbij dient evenwel het belang van het kind voorop te staan. Ouderlijk gezag is immers weliswaar een aan de ouders toekomend ‘recht’, maar dit recht is gegeven in het belang van het kind en kan daarom niet los worden gezien van de verplichting dat belang te dienen (HR 25 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2714, NJ 1999/379).

In een geval als het onderhavige, waarin het kind is verwekt met zaad van een (aan de ouders bekende) donor die niet het gezag over hem uitoefent, kan het belang van het kind met het oog op effectuering van het recht op omgang met zijn biologische vader meebrengen dat het kind te horen krijgt dat degene met wie het omgang zal hebben zijn vader is. Indien de rechter van oordeel is dat een zodanig geval zich voordoet, kan hij bepalen dat het kind voorafgaand aan een volgend moment van omgang statusvoorlichting zal krijgen. In zoverre prevaleert in dat geval het rechterlijk oordeel omtrent hetgeen het belang van het kind bij het kennen van zijn afstamming met het oog op de omgang meebrengt, boven het recht van de ouders te bepalen op welk moment het kind die informatie zal krijgen.

Door een omgangsregeling met ingang van mei 2016 vast te stellen en tevens te bepalen dat de moeders het kind voor 30 april 2016 statusvoorlichting zullen geven, heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat het belang van het kind meebrengt dat de ouders hem, voordat omgang daadwerkelijk plaatsvindt, vertellen dat de man zijn biologische vader is.