Van eenhoofdig naar gezamenlijk ouderlijk gezag

Wat zijn de kansen van een vader om samen met de moeder belast te worden met het ouderlijk gezag over een kind als moeder pertinent tegen gezamenlijk ouderlijk gezag is? Uit de uitspraken die in onderstaand artikel worden besproken, blijkt dat slechts in zeer uitzonderlijke situaties de vader niet samen met de moeder met het ouderlijk gezag zal worden belast

Juridisch vader

Als niet getrouwde ouders een kind krijgen,  is de vader niet direct de juridisch vader van het kind. De vader moet daarvoor eerst het kind erkennen. Als de moeder daarvoor geen toestemming geeft, kan de vader een verzoek bij de rechtbank indienen tot vervangende toestemming.
Lees hierover mijn eerdere artikel: vervangende toestemming erkenning

Juridisch vader – maar dan nog geen ouderlijk gezag

Maar als de vader het kind heeft erkend, dan heeft hij nog niet samen met moeder het ouderlijk gezag over dat kind.  Dat gezamenlijk ouderlijk gezag kan vader krijgen door daartoe een aantekening te laten maken in het gezagsregister bij de rechtbank. Als moeder haar medewerking daaraan weigert, dan kan vader een verzoek bij de rechtbank indienen tot het verkrijgen van het gezamenlijk ouderlijk gezag met moeder. Lees hierover mijn eerdere artikel: wie heeft ouderlijk gezag.

Wet over gezamenlijk ouderlijk gezag

In de wet (artikel 1:253c lid 2 BW) staat dat het verzoek om gezamenlijk ouderlijk gezag wordt toegewezen, tenzij:

  • er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
  • afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

Van de “tenzij situatie” is niet echter snel sprake. Dat bleek maar weer in twee uitspraken van 31 oktober 2019 van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.

Ernstige contra-indicaties

“Uitgangspunt is dat beide ouders gezamenlijk zijn belast met het gezag over hun kind. Slechts wanneer sprake is van ernstige contra-indicaties tegen gezamenlijk gezag kan eenhoofdig gezag worden gehandhaafd”, zo overweegt het Hof in in één van deze twee uitspraken.

En in beide uitspraken oordeelde het hof tot gezamenlijk ouderlijk gezag.

Hof Den Bosch 31 oktober 2019

ECLI:NL:GHSHE:2019:4010

De rechtbank had in deze zaak het verzoek van vader tot gezamenlijk ouderlijk gezag toegewezen. Daartegen had moeder hoger beroep ingesteld bij het hof. De moeder voerde diverse redenen aan waarom zij vond dat zij alleen met het ouderlijk gezag belast moest blijven, zo vond zij dat er geen rol voor vader was weggelegd en was zij bang voor hem. Het hof maakte korte metten met de visie van moeder en overwoog:

“… is gebleken dat de moeder tot op heden nog niet heeft geprobeerd om daadwerkelijk invulling te geven aan een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening met de vader. De moeder ziet in het leven van [minderjarige] geen enkele rol weggelegd voor de vader en zij heeft dit bij herhaling luid en duidelijk kenbaar gemaakt. De moeder maakt het de vader op dit moment zelfs onmogelijk om zijn ouderlijk gezag met haar uit te oefenen, omdat zij weigert met hem te communiceren. In hetgeen de moeder aanvoert, ziet het hof geen aanknopingspunten die erop wijzen dat de vader niet in staat zou zijn om op een adequate wijze invulling te geven aan zijn gezagsrol. Niet is gebleken dat de vader overleg met de moeder heeft geweigerd en/of dat hij – sinds hij met de moeder het gezag uitoefent – het nemen van beslissingen over de verzorging en opvoeding van [minderjarige] heeft belemmerd of zich daarmee heeft willen bemoeien op een wijze die ten koste gaat van [minderjarige] . Integendeel, ter zitting van het hof heeft de vader onweersproken verklaard dat hij zijn toestemming zal geven wanneer hem dit wordt gevraagd en dat hij absoluut niet van plan is het gezag te misbruiken. Het enige dat de vader wil, is weten waar [minderjarige] mee bezig is. Dat de moeder zegt bang te zijn voor de vader, brengt – wat daar verder ook van zij – niet met zich dat zich een van de hiervoor genoemde afwijzingsgronden voordoet. Het hof neemt hierbij tevens in aanmerking dat de moeder niet concreet heeft kunnen maken waarom zij zo bang is voor de vader en dat de GI vraagtekens erbij zet of deze angst reëel is. Desgevraagd heeft de moeder ter zitting verklaard dat zij bang is voor de man omdat hij, als hij zijn zin niet krijgt, haar kan doden met magie. Indien de moeder daadwerkelijk angstig is voor de vader, dient zij daarvoor gerichte hulp te zoeken. [minderjarige] is nu tien jaar oud en partijen zullen immers als ouders van [minderjarige] nog lange tijd aan elkaar zijn verbonden. Op grond van artikel 1:247 lid 3 BW is de moeder verplicht om de ontwikkeling van de banden van [minderjarige] met haar vader te bevorderen. Het kan én mag daarom zonder meer van de moeder worden verwacht dat zij de communicatie met de vader aangaat. Anders dan de moeder meent, dient zij de (rol van de) vader hierin onder ogen te zien en te accepteren dat hij onderdeel uitmaakt van het leven [minderjarige] . Hoewel de moeder meent dat zij door zich zo op te stellen juist het belang van [minderjarige] voorop stelt, miskent de moeder dat [minderjarige] zowel haar moeder als haar vader nodig heeft in haar leven. Dat de moeder daar vanuit haar achtergrond en cultuur andere opvattingen over heeft, kan aan het voorgaande niet afdoen.

Hof Den Bosch 31 oktober 2019

ECLI:NL:GHSHE:2019:4011

Ook in de tweede uitspraak had de rechtbank het verzoek van vader tot gezamenlijk ouderlijk gezag toegewezen. De moeder had daartegen ook beroep ingesteld bij het hof. Deze moeder vond kort gezegd dat de communicatie tussen de ouders uitermate slecht is. Vader reageert vaak niet en komt zijn afspraken niet na. Sinds het gezamenlijk gezag is het alleen maar slechter geworden en is daardoor het zorgelijke gedrag van de kinderen verergerd. De Raad voor de Kinderbescherming had in deze zaak geadviseerd om het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag af te wijzen. Bovendien waren de kinderen onder toezicht gesteld vanwege de verstoorde verhoudingen tussen ouders.
Tijdens de zitting op het gerechtshof heeft zowel de Raad voor de Kinderbescherming als de GI (“gezinsvoogd”) aangegeven dat moeder alleen met het ouderlijk gezag belast zou moeten zijn. Het hof besliste echter anders:  de oorzaak van de zorgen en de stroeve verhoudingen was niet het gezag, maar met name de omgangsregeling en moeizame samenwerking  tussen vaderen de GI.  en het hof wees het hoger beroep van moeder af:  vader en moeder bleven dus gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen. Wat overwoog het gerechtshof:

“De zorgen met betrekking tot de kinderen zijn groot: ze hebben alle drie een kind-eigenproblematiek en de communicatie tussen de ouders verloopt moeizaam. Het hof heeft eveneens zorgen over de verhouding tussen de GI en de vader; er is kennelijk sprake van misverstanden over en weer en de vader voelt zich onvoldoende betrokken bij de beslissingen over de kinderen. In de thuissituatie bij de moeder zijn nog altijd zorgen, hier is nu hulpverlening op gezet. Op de thuissituatie van de vader is onvoldoende zicht. Het hof is van oordeel dat alle hierboven beschreven zorgen en de stroeve verhoudingen niet hun oorzaak vinden in de gezagskwestie. Het is met name de omgangsregeling die voor  problemen zorgt, als ook de moeizame samenwerking tussen de GI en de vader. Eenhoofdig gezag bij de moeder lost het probleem niet op en vergroot het risico dat de vader op een zijspoor wordt gezet, terwijl de vader, net als de moeder, belangrijk voor de kinderen is en betrokken is bij het leven van de kinderen. Hierbij komt dat het gezag van de vader ook in het kader van de ondertoezichtstelling van belang is. Het hof acht het dan ook in het belang van de kinderen dat de vader mede het ouderlijk gezag over de kinderen houdt.”

Conclusie

Uit deze twee uitspraken blijkt maar weer dat gezamenlijk ouderlijk gezag echt het uitgangspunt is en dat slechts in zeer uitzonderlijke situaties van het uitgangspunt wordt afgeweken.