Dient het kindgebonden budget meegeteld te worden als eigen inkomen bij het bepalen van de behoefte aan partneralimentatie?

Sinds het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 is duidelijk dat het door de hoofdverzorgende ouder te ontvangen kindgebonden budget niet op de behoefte van een kind in mindering moet worden gebracht, maar invloed heeft op de draagkracht van die ouder voor een bijdrage in de kosten van het kind.
De Hoge Raad ziet het kindgebonden budget als een inkomensondersteunende maatregel.

Maar wordt het kindgebonden budget ook betrokken bij het berekenen van de behoefte aan een aanvullende bijdrage in de vorm van partneralimentatie?

Hof Den Haag 27 januari 2016

Eerder dit jaar informeerde ik al over de uitspraak van het hof Den Haag van 27 januari 2016, zie het bericht: Behoefte partneralimentatie en kindgebonden budget: Hof Den Haag 27 jan 2016.

Volgens het Hof Den Haag dient bij de berekening van de behoefte voor partneralimentatie geen rekening te worden gehouden met het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop. Dat heeft geen invloed op de behoefte aan partneralimentatie.

Hof Arnhem-Leeuwarden 16 februari 2016

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft een andere mening: dat gerechtshof vindt dat bij de berekening van de behoefte voor partneralimentatie wel rekening dient te worden gehouden met het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop.

Eerst wordt van de behoefte het eigen inkomen van de alimentatiegerechtigde afgetrokken. Vervolgens trekt het Hof het ontvangen kindgebonden budget, verminderd met haar aandeel in de kosten van het kind, van de behoefte af. Dan resteert het bedrag aan aanvullende behoefte aan een bijdrage voor partneralimentatie.

In de beschikking van 16 februari 2016 overweegt het hof:

Op de behoefte van de vrouw strekt voorts in mindering het door haar ontvangen kindgebonden budget verminderd met haar aandeel in de kosten van [de minderjarige2] . Zoals hiervoor overwogen gaat het hof uit van een kindgebonden budget voor de vrouw in 2015 van € 358,- per maand, te verminderen met haar aandeel in de kosten van [de minderjarige2] van € 19,01 per maand, oftewel een bedrag van € 351,04 per maand.

Onzekerheid alom! Een beslissing van de Hoge Raad nodig is hard nodig.