Om omgang tussen een ouder en een kind tot stand te brengen, wordt in de praktijk soms de omgangsondertoezichtstelling gebruikt. De kinderrechter stelt dan een kind onder toezicht om daarmee omgang tussen die ouder en het  kind tot stand te brengen. Ook kan het gebruikt worden in een situaties dat er conflicten of problemen zijn bij het uitvoeren van een omgangsregeling.

Om tot oplegging van een omgangsondertoezichtstelling te komen, moet wel aan een aantal strenge voorwaarden worden voldaan.

De Hoge Raad herhaalt in zijn beschikking van 19 februari 2016 de reeds bekende strenge maatstaf en overweegt:

Volgens vaste rechtspraak (HR 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1009, NJ 2002/4; zie tevens HR 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1073, NJ 2002/5) geldt voor het opleggen van de maatregel van een ‘omgangsondertoezichtstelling’ op de voet van art. 1:254 (oud) BW de volgende maatstaf:

“3.3 Het toepassen van de maatregel van ondertoezichtstelling betekent een inmenging in het gezinsleven van ouder(s) en kind. Deze maatregel is slechts gerechtvaardigd indien zij berust op de in de wet aangegeven gronden en dient ter bescherming van het belang van het kind. De rechter die de ondertoezichtstelling uitspreekt, zal in zijn beschikking niet alleen moeten vermelden dat deze beide gronden aanwezig zijn, doch ook moeten aangeven op grond van welke gegevens hij tot zijn oordeel is gekomen dat de minderjarige zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van die bedreiging hebben gefaald of waarschijnlijk zullen falen.

Niet uitgesloten is dat het opleggen van de maatregel van ondertoezichtstelling gerechtvaardigd kan zijn wanneer het ontbreken van een omgangsregeling of juist het bestaan ervan, dan wel de conflicten of problemen bij het totstandbrengen of het uitvoeren van een omgangsregeling zodanige belastende conflicten of problemen opleveren voor het kind dat deze, op zichzelf of in combinatie met andere omstandigheden, een ernstige bedreiging opleveren voor zijn zedelijke of geestelijke belangen, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar te voorzien is, zullen falen. In een dergelijk geval moeten aan de motivering van de toewijzing hoge eisen gesteld worden. Dat uit de raadsreportage en het verhandelde ter terechtzitting het Hof is gebleken dat een omgangsregeling niet op vrijwillige basis tot stand komt en dat de Raad voor de Kinderbescherming ter zitting heeft gesteld dat de minderjarige ernstig wordt bedreigd in haar ontwikkeling als ze geen contact heeft met haar biologische vader, levert geen toereikende motivering op voor het opleggen van een maatregel als de onderhavige.”

De Hoge Raad oordeelde vervolgens dat de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 juni 2015, waarin een omgangsondertoezichtstelling was opgelegd, hieraan niet voldeed en vernietigde de uitspraak van het Hof.

Het is nu aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden om de zaak verder te behandelen en een beslissing te nemen.