Erkenning van kind: moeder heeft toestemming aan ander gegeven

De situatie kan zich voordoen dat een verwekker (of de biologische vader als bedoeld in art. 1:204 lid 3 BW) wil overgaan tot erkenning van kind. Echter, moeder heeft al toestemming aan een ander gegeven om het kind te erkennen. Op de geboorteakte van het kind staat de erkenning van het kind door die ander.

Verzoekschrift tot vervangende toestemming erkenning was al ingediend

Vanaf het moment dat er een verzoekschrift tot het verkrijgen van vervangende toestemming door de verwekker van het kind is ingediend, kan de moeder geen onvoorwaardelijke toestemming meer verlenen aan een andere man (of vrouw) om het kind te erkennen (zie: Hoge Raad van 31 mei 2002). Als het verzoek tot vervangende toestemming van de verwekker wordt toegewezen, wordt die erkenning dus geacht niet te hebben plaatsgevonden.

Verzoekschrift tot vervangende toestemming erkenning was nog niet ingediend

Stel: de verwekker is nog geen procedure gestart bij de rechtbank tot het verkrijgen van vervangende toestemming. Wel heeft de verwekker met een brief van een advocaat aan de moeder (of aan haar advocaat) om toestemming voor erkenning gevraagd. Vervolgens geeft moeder toestemming aan een ander om het kind te erkennen.
Uit Hoge Raad 30 oktober 2015 volgt dat de verwekker dan snel -binnen 3 maanden na de brief van de advocaat- een verzoek tot het verkrijgen van vervangende toestemming bij de rechtbank moet indienen. Doet de verwekker dat, dan heeft de erkenning door die ander een voorwaardelijk karakter.
Zie mijn bericht “Erkenning kind toestemming aan ander: HR 30 okt 15”.

En wat bij e-mails?

Wat nu als er geen brief door de advocaat is gestuurd maar een e-mail? S.F.M. Wortmann (NJ 2015/455) meent dat de door de Hoge Raad voorgestane uitbreiding naar een voorfase van de procedure tot vervangende toestemming moet worden beschouwd in het licht van die te starten procedure en dat de opmaat daartoe dan ook afkomstig dient te zijn van een door de verwekker ingeschakelde juridisch deskundige. Aan e-mails, sms’jes of appjes van de verwekker hoeft niet de betekenis van een opmaat tot de procedure van vervangende toestemming te worden toegekend, zo meent zij.

En wat als in bericht geen verzoek om erkenning van kind maar om vaststelling van vaderschap?

Wat als in de e-mails van de advocaat van de verwekker -gestuurd binnen 3 maanden voor het opstarten van de procedure tot vervangende toestemming- niet letterlijk het woord “erkenning” is geschreven, maar wordt gesproken over het opstarten van een procedure tot (onder meer) vaststellen van het vaderschap wanneer de medewerking van moeder aan een DNA-onderzoek uitblijft?

In zo een situatie ben ik als bijzondere curator ex artikel 1:212 BW door de rechtbank Den Haag benoemd. Vermoedelijk verwekker had een verzoek tot vervangende toestemming erkenning kind ingediend binnen 3 maanden nadat er e-mails van zijn advocaat aan moeder waren gezonden. In die e-mails werd niet expliciet gesproken over de erkenning van het kind, maar over het opstarten van een procedure tot (onder meer) vaststellen van het vaderschap wanneer de medewerking van moeder aan een DNA-onderzoek uitbleef.

De rechtbank Den Haag oordeelde bij beschikking d.d. 27 november 2017 (vooralsnog niet gepubliceerd), dat voor moeder duidelijk moest zijn uit de e-mails van de advocaat van de verwekker dat verwekker -indien zou blijken uit DNA-onderzoek dat hij de verwekker van het kind was- het kind wilde erkennen. Nu het verzoek tot vervangende toestemming erkenning binnen 3 maanden na die e-mails was ingediend bij de rechtbank, oordeelde de rechtbank dat de erkenning van het kind door de nieuwe partner van moeder -gedaan na de e-mails van de advocaat van verwekker doch voor het opstarten van de procedure door verwekker- een voorwaardelijk karakter heeft.

De rechtbank verleent de vervangende toestemming voor erkenning en gelast de doorhaling van de latere vermelding op de geboorteakte van het kind betreffende de erkenning door de partner van moeder.