De wet geeft de mogelijkheid om voor de duur van de echtscheidingsprocedure om vaststelling van voorlopige voorzieningen te vragen (art. 822 Rv).Die voorlopige voorzieningen gelden dan in principe totdat de echtscheiding een feit is. Welke voorlopige voorzieningen gevraagd kunnen worden, kunt u hier lezen: voorlopige voorzieningen.

Maar wat nu als de echtscheiding al een feit is en een partij toch behoefte heeft aan een voorlopige voorzieningen? Dat speelde in de zaak die leidde tot de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 16 december 2015.

In die zaak had de vrouw aan het gerechtshof gevraagd om voor de duur van de echtscheidingsprocedure in hoger beroep, te bepalen dat zij alleen de echtelijke woning mocht gebruiken en dat de man die woning moest verlaten.

Incidenteel verzoek op grond van artikel 822 Rv

Het Gerechtshof overwoog dat zij dat verzoek niet kon behandelen als een verzoek op grond van artikel 822 Rv, omdat de echtscheiding al was ingeschreven. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad  van 5 december 2014 oordeelde het Gerechtshof dat het verzoek inhoudelijk kan worden behandeld zo een verzoek kan worden behandeld als een verzoek op grond van artikel 223 Rv; er kan een incidenteel verzoek worden gedaan tot het treffen van een voorlopige voorziening voor de duur van het geding.

In deze zaak wees het Hof het verzoek van de vrouw na een belangenafweging.

Conclusie

Dus: ook al is het op grond van artikel 822 Rv niet meer mogelijk om een voorlopige voorziening te vragen in verband met de echtscheidingsprocedure, kan zo een verzoek nog wel worden gedaan op grond van het bepaalde in artikel 223 Rv.